FairPen Blog
Muzungu Muzungu“Wat wil je later worden”, vroeg FairPen’s coach Ismael aan een leerling van de eerste klas van de lagere school. “Muzungu”, antwoordde het kind. Muzungu is het Swahili woord voor blanke vreemdeling, wij dus. Een heleboel kinderen willen als ze groot zijn muzungu worden. Muzungu zijn heeft in de ogen van onze zwarte medemens een heleboel voor(oor)delen. Wij vallen op door een lichte huid, maar vooral heeft een muzungu geld, véél geld, weet en kan hij alles véél beter en heeft hij toegang tot magische machten en krachten (laptops, IPods en contactlenzen).Kortom zijn we een soort halfgoden.
En daarom word ik overal waar ik kom in Oeganda aan- en nagestaard. Vorige week in het district Rakai ten zuiden van Kampala aan de Tanzaniaanse grens, bezocht ik vier dagen lang drie basisschooltjes, waar onze coaches een project aan het uitvoeren waren voor ILO (International Labour Organization). De drie schooltjes, waar kinderen over kinderarbeid gingen schrijven, lagen midden in de bush ongeveer een uur rijden van elkaar vandaan. Ik had me in onze ouwe rammelende FairPen Landcruiser laten afzetten in het enige stadje in de omgeving waar een hotel was en de chauffeur naar huis gestuurd. Dat de schooltjes zo ver uit elkaar lagen, wist ik niet. Ik had me eigenlijk voorgenomen niet in mijn eentje te gaan autorijden, omdat de combinatie muzungu en vrouw (wit en rijk en zwak en ook nog eens alleen) een hele aantrekkelijke combi is voor sommige Oegandezen, vooral als je panne met de auto krijgt, maar ik moest wel…. .

Ik zou er aan gewend moeten zijn dat ik overal word aan- en nagestaard en dat ik, waar ik maar kom, muzungu muzungu hoor zoemen als in een hardnekkige zwerm bijen. Maar het went niet, het went nooit. Bn’ers moeten hetzelfde ervaren, hoewel je als muzungu áltijd wordt herkend, terwijl Bn’ers pech hebben als dat niet zo is, want dan ben je meteen bn’er af. Maar te worden aangesproken als muzungu betekent dat je alleen op je huidskleur wordt aangesproken; ik ben geen persoon, geen mevrouw en ook geen Edith meer, ik ben slechts een muzungu. Op elk schooltje waar ik kom is het raak: al voordat ik de auto uitstap, verzamelen zich drommen kinderen om de wagen heen; ze volgen elke minimale beweging die ik maak. Onverhoede bewegingen, zoals mijn verwarde blonde haar uit een elastiekje halen of het afzetten van een zonnebril, leveren gelach op. Als ik in mijn tas naar mijn brillenhoes zoek, bewegen tientallen donkere ogen mee, als ik opkijk en ik ontmoet één van die blikken, wordt er betrapt en verlegen weggekeken. De kleinsten zwaaien als naar Sinterklaas en roepen onbekommerd: muzungu byieieie, byieieie…
De schooldirecteur voelt zich voornaam en schikt de knoop in zijn glimmende stropdas. Hij schudt me plechtig de hand en neemt me mee naar het houten kot –meer is het echt niet- dat dienst doet als het kantoor van de directeur. Ik moet het gastenboek tekenen, en morgen en overmorgen moet ik dat weer, ook al protesteer ik dat ik het gisteren al tekende. Ondertussen sluipen kinderen opvallend onopvallend langs het deurgat van het kantoor om een blik op me te werpen. Sommige slagen erin vanuit een verdekte opstelling te gluren. Soms om te pesten, staar ik terug, meestal win ik het en zijn zij het die als eerste de ogen afwenden. Soms zeg ik ook dat het onbeleefd is om naar mensen te staren. Dat zijn ze altijd met me eens.

De FairPen club is altijd opvallend groot als ik arriveer. Tegenwoordig ga ik achter in de klas zitten om te zien hoe onze coaches de docenten terzijde staan die hun leerlingen proberen uit te leggen wat nieuws is en wat het verschil is tussen een feit en een mening. Dat die muzungu áchter ze zit, is bijna niet te verdragen voor de kinderzieltjes. Mijn ogen prikken genadeloos in hun fragiele ruggetjes. Sommige houden het echt niet meer en draaien zich in zo’n hoek dat ze me net kunnen zien, de dappersten draaien hun hele hoofd naar me om en staren. Soms wijs ik met zo’n belerende muzungu vinger naar het bord als teken dat ze moeten opletten. Dan schrikken ze zich kapot. Ondertussen verschijnen achter de tralies van de open ramen zonder glas of de ramen met glas weer tientallen hoofdjes die allemaal één richting op kijken, die van mij. Van tijd tot tijd probeer ik een naar boven komende golf van irritatie bij mezelf te onderdrukken en omdat dat niet helpt, besluit ik de situatie van pure ongemakkelijkheid maar te accepteren voor wat het is.
Na zo’n dag ben ik moe, leeggezogen. Dan kom ik terug in mijn hotelletje, waar ik bier drink en ga eten in het restaurant, waar formica tafeltjes staan met ongemakkelijke stalen stoelen. Op de tafel ter decoratie staan enorme grote glazen vazen die gevuld zijn met felgekleurd nepfruit in water, zodat de nep appels en mango’s enorm lijken. Er staan twee televisies aan en allebei hard, want hoe harder hoe beter. Het restaurant vult zich langzaam maar zeker met notabelen uit het stadje die het Oegandese nieuws willen zien (de president die weer een lintje doorknipt). Ik probeer eten te bestellen, maar het personeel spreekt heel anders Engels dan ik, of ik anders dan hen en dat is moeilijk te verstaan voor ze. Dus brengen ze binnen een kwartier een taaie gebraden kippenpoot die ik niet heb besteld en bestel ik maar weer voor de verandering rijst met kip omdat ik gisteren patat met kip heb gegeten en vraag ik alweer om groenten bij het eten en vertelt het personeel mij dat ze alleen kool hebben. Hoe laat ik wil eten? “Half 8”, zeg ik om half 7 en dus komt het eten om kwart voor 9. Ondertussen heeft zich een andere soortgenoot van mij in het restaurant vervoegd: een Amerikaan die ongegeneerd achter een fles bier zit te scypen op zijn laptop (we hebben overal Internet dankzij de dongels van mobiele telefoonproviders), en die het op luide toon niet onder doet voor de Afrikanen. Ik spoel het een en ander weg met het inmiddels lauw geworden bier en trek me terug op mijn kamer.
Op de paar vierkante meter die mijn kamer is, staat een enorm bed in een nog groter en uitstekend wandmeubel geperst, een tafel en een opklapstoel die vooral opgeklapt moet blijven, want anders kun je je niet meer bewegen. De badkamer is een wonder van vernuftigheid. Op minder dan een vierkante meter is een wasbak, een wc en een douche gepropt met een handdoekrek ter hoogte van de douchekraan. Zo kun je alles tegelijk doen: douchen, kakken en je tandenpoetsen… heel handig. En dan gaat de disco aan. Ik wist niet dat mijn kamer zich naast de disco bevindt… foutje…. had ik moeten checken, maar het is onmiskenbaar een disco en die gaan altijd tot 6 uur ’s ochtends door. De bassen dreunen genadeloos door het wandmeubel heen. Ze dreunen zelfs door mijn oordoppen heen die ik in familieverpakkingen áltijd meeneem naar Afrika en niet voor niets blijkt maar weer. Klagen bij het hotelmanagement is het meest belachelijke wat je kunt doen. Want dat zijn wij, muzungu’s, ook; tamelijk belachelijk. We houden niet van lawaai, kunnen niet slapen naast (of in) een disco, eten alleen rijst en kip in plaats van kookbananen in ingewanden saus, lever of smakeloze maispap (oké, ik ben wat kieskeurig), ze letten altijd op de tijd en mopperen als het ontbijt een uur op zich laat wachten en nog veel meer. We zijn belachelijk anders, en vooral ook met een hoge amusementswaarde…..